e

 

 

 

Kijker 1 & 2 correctiesleutel

Samenstellingen

herfstdagen, koppelteken, appelflauwte, dennenbomen, nieuwsfotograaf, beroepsgeheim
brulkikvors, namiddagvoorstelling, bodemverontreiniging, bouwbedrijf, kruisspinnen
morgenochtend, wielerwedstrijd, strikvragen, verkeersongelukken, rotsblokken, dorpsscholen
koeienstallen, vuurrode, schrikdraad, hemellichaam, zonsverduistering,

Woorden met ieuw 

nieuwe, benieuwd, nieuwigheid, nieuwsgierig, vernieuwen

Woorden met ooi 

toernooi, pleidooien

Woorden met aai 

papegaai, koeienvlaaien

Woorden met eeuw

schreeuwen

Woorden met ng 

enge, jongetje, angst

Woorden met nk 

vinken, janken, geschenken, flinkste, zinkende

Woorden met uw 

zenuwen, schuw

Woorden alfabetisch rangschikken 

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z
Kijk naar de eerste letter, dan naar de tweede enz.

Woorden met een d

aardkorst, bloed, straat, spotgoedkoop, honderdduizend, broedtijd, grondgebied, noordoostenwind
kruiswoordraadsel, lidgeld, bloeddorstig, branddeur, winddicht, hoofddoek, blinddoek
hondje, badschuim, bedje, sneeuwwind, aardbol, middag, hoofd, paard, hondje,

Woorden met een t

aardkorst, worst, hoofd, spotgoedkoop, tijdschrift, sportterrein, biljarttafels, flipperkast

Woorden met cht

voorzichtig, bedachtzaam, bochtige, schilderachtig, medeplichtig, vrachtauto, berichtjes
trachten, evenwicht, nachtegaal, verlichting, onverwacht, toegejuicht, lichtje, nachtzoen

Woorden met ch 

pechvogel, toejuichen, architectenbureau, goochelaarskunst, tandtechnicus, chemiebedrijf
tuinarchitect, houtkachel, autopech, lichaamsbeweging, techniek, mechaniek, juichen,

Woorden zoals katten (verdubbelen na korte klank) 

mannen, takken, dikke, smalle, spellen, ontdekken, verre, blaffen, hebben, drukke, zeggen
alle, katten, hadden, allen, kunnen, pakken, mussen, gemakken, zullen, liggen, lekkere
grommen, blaffende, rollen, trekken, liggen, brokken, potten, kommen, trappen, opklimmen
middelbaar, zitten, vakken, slimme, bolleboos, vellen, debatteren, vonnissen, vellen, trappen
spannen, vlugger, arriveren, kunnen, Ardennen, brilletje, sommigen, kolossale

Woorden zoals beren (verenkelen na lange klank) 

zagen, hoge, bomen, varen, boten, grote, meren, kanalen, leren, lezen, streken, blazen, praten
beter, ene, hoge, halfopen, dromen, maken, legers, tegen, harige, vredevol, bazen, berenstreken
openbare, scholen, klaslokalen, oorlogen, werelddelen, pedalen, regenvlagen, kolossale, overal
fototoestel, hemel, schaduw

Werkwoorden

tegenwoordige tijd (t.t.) eerste persoon = STAM           bv. ik speel
tegenwoordige tijd (t.t.) tweede persoon = STAM+T    bv.  jij speel+t
tegenwoordige tijd (t.t.) derde persoon = STAM + T    bv. hij/zij/iemand/het speel+t

verleden tijd (v.t.) met klankverandering = schrijf zoals je het hoort    bv. ik zwom, wij droegen
verleden tijd (v.t.) zonder klankverandering    STAM + stukje     bv. ik mis+te ,   wij wurg+den

voltooid deelwoord (v.d.)   ik heb / ik ben …
Denk hierbij aan ’t fokschaap: komt de kijkletter (derde laatste letter) erin dan is het met een T achteraan.
Bv. spelen -> kijkletter L -> komt niet in ’t fokschaap voor -> ik heb gespeeld
Bv. dansen -> kijkletter S -> komt wél in ’t fokschaap voor -> ik heb gedanst

Deze moet je kunnen in alle vormen kunnen schrijven:
belanden, kussen, verwarmen, botsen, pingpongen, bereiken, verrassen, bladeren, lezen, zijn, hebben zien, doen, beginnen, vragen, moeten, springen, vallen, botsen, lachen, eindigen, gebeuren, regenen, kunnen, komen, winnen, zeggen, liggen, genezen, vinden, sporten, bloeden, zeggen, zweten, houden, worden, amuseren, schrijven, bereiken, bewerken, verdrinken, verlangen, branden, bloeden, worden, rijden, verwonden, schudden, rijden, verwachten, komen, babbelen, vinden, kraaien, schreeuwen
schudden, janken, verbeelden, vermoeden, hebben, krijgen, beschermen, schuiven, fotograferen, verdwijnen, juichen, zeggen, getuigen

 

 

Zomertraining

Beste leerling,

je kan hier nog wat extra oefenen op je spelling.

Hier vind je alle woordmuren bij elkaar: spelling 5 alle woordmuren
Je kan deze woordmuren afprinten en overschrijven!

Je moet werkwoorden juist kunnen schrijven: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord.
Gebruik daarvoor het schema: werkwoordenschema

Als je voldoende hebt geoefend kan je een einddictee afleggen (niet hetzelfde als in de klas ..).
Het printblad (+verbetersleutel) Printblad einddictee + verbetersleutel

Succes!
Wout